Gi

Het Japanse gi (着) betekent kleding en wordt onder meer gebruikt om de sportkleding aan te duiden bij zelfverdedigingskunsten en vechtsporten zoals jiujitsu, judo, karate en aikido.

Omdat gi een heel algemene term is, wordt meestal het soort gi specifiek aangegeven, met namen als dōgi, jūdō-gi, karate-gi en aikidō-pak.

De gi wordt met behulp van de obi (band) vastgemaakt. De gi verschilt van sport tot sport, speciaal wat stevigheid betreft. Stijlen waarbij meer vastgegrepen en geworpen wordt, zoals jūdō, gebruiken doorgaans een zeer stevige gi, die veelal dubbel geweven is. Stijlen waarbij men elkaar niet of nauwelijks vastgrijpt gebruiken vaak minder stevige gi’s.

Het correct dragen van de gi is onderdeel van de dojo-etiquette. Tijdens het oefenen of een wedstrijd raakt de jas vaak los en moet deze dus vaak weer netjes worden vastgemaakt.

Strikt genomen is het woord “gi” foutief. Het is ontstaan in het westen. In het Japans wordt het woord dōgi (道着) gebruikt, wat “kledij voor de (spirituele) weg” betekent. De “gi” in “dōgi” is een typisch Japanse verzachting van een medeklinker in het midden van een woord. Als men “dōgi” dus in twee splitst, wordt dat “dō” en “ki”, dezelfde “ki” als in “kimono”. Datzelfde begrip, “kimono” (着物) wordt ook vaak verkeerdelijk gebruikt voor “dōgi” in het Westen, hoewel het echt niet hetzelfde is.

Vanwege de fonetische gelijkheid met het woord “dōgi” (胴着 – onderkledij voor de kimono) én de overeenstemmende snit wordt vaak gedacht en beweerd dat dit hetzelfde is. Dit is echter niet correct.

Vaak wordt ook het woord “keikogi” gebruikt (稽古着) wat gewoon “trainingspak” betekent. Dit kan echter ook een modern trainingspak voor allerlei westerse sporten zijn.

De broek van de keikogi/dōgi heet zubon, het vest uwagi.

Spring naar toolbar