Zoals je mag verwachten van een Japanse vechtsport als Karate, zijn alle termen in het Japans. Zonder meteen de complete Karate terminologie in detail te omschrijven, hebben wij hierbij slechts een paar termen van uitleg voorzien.

Please select from the menu above

  • Bunkai
    Bunkai () is een trainings- en analysetechniek uit de Japanse vechtsporten. De techniek wordt uitgevoerd door een karateka met behulp van een of twee partners. Een kata (bewegingsreeks) wordt hierbij opgedeeld in afzonderlijke bewegingen. De karateka voert telkens een van deze deelbewegingen uit, daarna laten de partners verschillende antwoorden zien op deze beweging, bijvoorbeeld verschillende verdedigingen of tegenaanvallen. Hierdoor krijgt men een beter inzicht in het nut van deze beweging, en van de als geheel.
  • Dan (graad)
    Het dan-systeem (Japans: 段, dan) is een manier om (hogere) niveaus aan te geven binnen Japanse sporten en kunsten. In de westerse wereld is de graad vooral bekend uit Japanse vechtsporten (budo), maar het kan ook gaan om een graad in het bordspel Go, waar het systeem oorspronkelijk voor was ontwikkeld in de Edoperiode. Het systeem werd overgenomen door Jigoro Kano, de oprichter van judo, en later door andere vechtsporten zoals Karate. Binnen de meeste vechtsporten/vechtkunsten van Japanse origine wordt een bandensysteem gehanteerd, waarbij gekleurde banden het niveau van de drager aangeven. Naast de verschillende kleuren banden (Japans: kyu) bestaat er nog een ander systeem om niveaus aan te geven: het dan-systeem. Zodra een beoefenaar van een vechtkunst/vechtsport zijn zwarte band haalt, betekent dit dat hij bewezen heeft de basis te kennen. Men zou kunnen stellen dat het onder de knie krijgen van de beoefende stijl bij het behalen van de eerste dan (zwarte band) pas echt begint. De dan-graden binnen de vechtkunsten werden het eerste geïntroduceerd door dr. Jigoro Kano, de grondlegger van het Judo. Dr. Kano wilde voor het judo een gradensysteem wat aansloot bij het gradensysteem dat op Japanse scholen gebruikt werd. Daar werden bij de verschillende sporten, bijvoorbeeld het zwemmen, al gebruikgemaakt van een systeem met verschillende kleuren om de rang van de sporter aan te geven. Japanse termen In het Japans worden de Dan-graden met de volgende termen aangeduid: Shodan (初段) – Eerste Dan – Senpai Nidan (二段) – Tweede Dan – Senpai Sandan (三段) […]
  • Gi
    Het Japanse gi (着) betekent kleding en wordt onder meer gebruikt om de sportkleding aan te duiden bij zelfverdedigingskunsten en vechtsporten zoals jiujitsu, judo, karate en aikido. Omdat gi een heel algemene term is, wordt meestal het soort gi specifiek aangegeven, met namen als dōgi, jūdō-gi, karate-gi en aikidō-pak. De gi wordt met behulp van de obi (band) vastgemaakt. De gi verschilt van sport tot sport, speciaal wat stevigheid betreft. Stijlen waarbij meer vastgegrepen en geworpen wordt, zoals jūdō, gebruiken doorgaans een zeer stevige gi, die veelal dubbel geweven is. Stijlen waarbij men elkaar niet of nauwelijks vastgrijpt gebruiken vaak minder stevige gi’s. Het correct dragen van de gi is onderdeel van de dojo-etiquette. Tijdens het oefenen of een wedstrijd raakt de jas vaak los en moet deze dus vaak weer netjes worden vastgemaakt. Strikt genomen is het woord “gi” foutief. Het is ontstaan in het westen. In het Japans wordt het woord dōgi (道着) gebruikt, wat “kledij voor de (spirituele) weg” betekent. De “gi” in “dōgi” is een typisch Japanse verzachting van een medeklinker in het midden van een woord. Als men “dōgi” dus in twee splitst, wordt dat “dō” en “ki”, dezelfde “ki” als in “kimono”. Datzelfde begrip, “kimono” (着物) wordt ook vaak verkeerdelijk gebruikt voor “dōgi” in het Westen, hoewel het echt niet hetzelfde is. Vanwege de fonetische gelijkheid met het woord “dōgi” (胴着 – onderkledij voor de kimono) én de overeenstemmende snit wordt vaak gedacht en beweerd dat dit hetzelfde is. Dit is echter niet correct. […]
  • Kata
    Een kata is een individuele stijloefening met een reeks vastgelegde bewegingen, uitgevoerd tegen 4 tot 8 denkbeeldige tegenstanders, die uit verschillende richtingen aanvallen.
  • Kihon
    Kihon is de verzameling basistechnieken van karate. Ook andere Japanse gevechtssporten als Kendo en Aikido voeren een kihon. De kihon bestaat uit arm- en handtechnieken als uraken, shuto en jodan-tsuki, been- en voettechnieken als mae-geri en mawashi-geri en ademhalingsoefeningen ibuke en nogari. Een groot gedeelte van de training voor beginnelingen bestaat uit opwarming en dan kihon. Ook gevorderden en experten blijven kihon oefenen en vervolmaken. Door veelvuldige herhaling van een techniek in de kihon verwerft men een bepaald automatisme. Het gevolg hiervan is dat in en over de goede uitvoering van die technieken niet meer hoeft nagedacht te worden. Er bestaat ook een aanvullend kihon voor gevorderden met slagtechnieken als seiken, tettsui, hiji en blokkeertechnieken als tensho en juji om een aanval af te weren.
  • Kumite
    Kumite, ook bekend als ‘sparren’, is een onderdeel van karate (en andere Japanse vechtsporten) waarin men met een partner traint of vecht. Kumite wordt op verschillende niveaus uitgevoerd. Het laagste niveau bestaat uit vijf onderdelen, waarbij de karateka vijf technieken uitvoert. Elke techniek is een aanvalstechniek die door een van beiden wordt uitgevoerd en bij de afronding hiervan door de ander wordt beantwoord met een tegenaanval. Deze methode zorgt ervoor dat de karateka afstand leert houden en maakt hem bekend met de gedachte aangevallen te worden. De volgende stap is met drie onderdelen. Deze methode kent hetzelfde patroon. Het is vooral bedoeld om de karateka in staat te stellen in een kortere tijd meer technieken te oefenen. De laatste fase van de sparringsoefeningen is het sparren met één onderdeel. Bij deze methode valt de ene karateka aan, die antwoordt met een bekende techniek. De nadruk ligt hier op snelheid en accuratesse. Beide karateka’s kennen de voorgeschreven volgorde en er wordt geen onderling contact gemaakt, al worden de technieken uitgevoerd alsof dat wel zo is. Zo zijn ze in staat maximale snelheid en kracht te gebruiken. Het laatste aspect van kumite is ‘vrij sparren’ ofwel jiyu kumite. Bij jiyu kumite probeert de ene karateka de andere aan te vallen om punten te scoren. Het biedt de karateka de kans zichzelf op de proef te stellen. Het is een goede methode om vaardigheden te verfijnen en het is tevens de methode die bij sportkarate wordt gebruikt. Bij al deze fases horen rituelen […]
  • Kyu (graad)
    Kyu of kyū (級, kyū) is het Japanse woord voor graad, niveau of klasse. In Japanse vechtsporten (budō) wordt het woord gebruikt voor de lagere graden (vanaf de zwarte band worden de graden met dan (段)) aangeduid. Kyu als klasse-aanduiding wordt ook gebruikt bij het bordspel Go. Kyu in de vechtsporten In het begin van de 19e eeuw kende het kyu-systeem in Japan twee verschillende kleuren band: witte band en bruine band; 6e kyu t/m 4e kyu dragen een witte band, 3e t/m 1e kyu dragen een bruine band. Wittebanders hebben geen achtergrond van een bepaalde gevechtssport. Ze zijn leerlingen van de gevechtsleraar. Maar Europeanen vonden het Japanse graduatiesysteem niet heel duidelijk en zichtbaar. Om de motivatie te verhogen, heeft M. Kawaishi het systeem van gekleurde banden voor judo geïntroduceerd. Dit nieuwe systeem werd al snel overgenomen door andere gevechtssporten zoals karate en jiujitsu, omdat het systeem eenvoudig is, duidelijke eisen stelt en een goede uitvoering heeft. (ref. wikipedia.org)
  • Obi
    Obi (帯) is het Japanse woord voor gordel. Buiten Japan bedoelt men meestal de band die onderdeel is van de kleding die gebruikt wordt bij Japanse zelfverdedigingskunsten en vechtsporten zoals jiujitsu, judo, karate en aikido. De obi wordt op een speciale manier om het middel bevestigd, en houdt de gi (het jasje) bij elkaar en op zijn plaats. Het midden van de obi wordt voor het middel gehouden, beide einden worden dan achter het lichaam langs gehaald, en onder het deel van de obi dat op het lichaam rust heen gehaald. Voor het lichaam wordt een platte knoop gelegd, en de einden ervan worden eventueel nog weggewerkt. In veel stijlen bestaat er een kleursysteem, waarbij de kleur van de obi aanduidt welk niveau van van kennis en vaardigheid van technieken de drager ervan heeft. De witte band geeft steeds het beginnersniveau aan, en de zwarte band het meest gevorderde. Mensen die de zwarte band hebben, kunnen vervolgens in veel stijlen nog hogere dan graden krijgen. Voor de rest zijn er verschillende systemen, de opeenvolging van beginner tot meer gevorderd wat kleuren betreft kan bijvoorbeeld zijn: wit, geel, oranje, blauw, groen, paars, bruin, zwart, rood-wit, rood en breed wit. Andere kleuren of kleurcombinaties zijn, afhankelijk van de stijl, ook mogelijk. Iedereen die een dojo betreedt, kan als hij of zij dat wil een witte obi dragen. Er zijn ook stijlen, waarbij iedereen met opzet de witte band blijft dragen, om te voorkomen dat men uit ambitie of wedijver probeert snel een […]
  • Osu! [Oesh]
    Osu [uitgesproken als “Oesh”] is een groet, maar alleen binnen budo-wereld. In het ‘gewone’ Japans wordt het niet als zodanig gebruikt en het heeft eigenlijk geen echte betekenis. Binnen de budo-wereld heeft het echter de betekenis gekregen van een soort groet. Ook wordt het vaak gebruikt in de zin van “ja”, of “begrepen” (al zijn de correcte Japanse woorden hiervoor eigenlijk ‘hai’ en ‘wakarimasu’)
  • Sensei
    Een sensei (先生) is een leraar in Japanse zelfverdedigingskunsten en vechtsporten zoals het jiujitsu, karate, judo en aikido. Het Japanse woord sensei betekent: leraar in algemene zin, niet enkel wat zelfverdediging betreft. Bij de formaliteiten voordat een les in zelfverdedigingskunst wordt begonnen, wordt vaak deze zin gezegd: Sensei ni rei! Dit betekent geparafraseerd: Groet de leraar! Hierop buigen de leerlingen in de richting van de sensei. Of iemand sensei wordt genoemd is afhankelijk van de behaalde graad en of hij les geeft. In sommige budodisciplines wordt een persoon die de 4de dangraad (of hoger) heeft en les geeft sensei genoemd. In andere disciplines is dat pas het geval nadat men een shogo heeft gehaald (Japanse lerarentitel: renshi/kyoshi/hanshi). In Nederland echter geeft men vaak al les zodra men zwarte band (1ste dan) heeft en wordt men dan soms ook aangesproken als sensei. Het is binnen de Japanse budokunsten echter correcter om iemand dan aan te spreken als ‘sempai’ wat zoiets betekent als ‘senior’ of ‘ouder’. De oprichter van het Aikido, Morihei Ueshiba, wordt vaak Ōsensei (翁先生) genoemd, wat eerbiedwaardige leraar betekent. Maar om een sensei te worden heb je niet alleen de zwarte band nodig, maar je moet ook examens af leggen om les te mogen geven. Het kan zijn dat de sensei een leraar in opleiding heeft, die doet dan meestal de warming up en de cooling down. (ref. wikipedia.org)

Spring naar werkbalk